Effecten in het gebied

Zorgplicht flora en fauna

De uitvoering van de maatregelen zorgt voor verstoring van flora en fauna in het gebied. Om deze verstoring zoveel mogelijk te beperken zijn in de Natuurtoets (Possen, 2019) randvoorwaarden en adviezen voor de uitvoering opgenomen. Zo dienen er voor zoogdieren, amfibieën en reptielen, broedvogels en ongewervelden tijdens de uitvoering maatregelen in acht genomen te worden. Basis hiervoor zijn de eisen uit de gedragscode Wet natuurbescherming, Unie van Waterschappen (2019), en de algemene zorgplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Het waterschap ziet erop toe dat de gestelde eisen uit de Natuurtoets (Possen, 2019) en de genoemde gedragscode en zorgplicht tijdens de uitvoering worden nageleefd.

Zoogdieren

Hoewel de (uitvoering van de) maatregelen geen negatieve invloed hebben op het leefgebied van beide soorten (Steenmarter (Martes foina) en Bunzing (Mustela putorius) red.) omdat de inrichting in principe kleinschaliger en natuurlijker wordt, is het niettemin goed om voldoende rekening te houden met beide soorten. Zo is zeker dat geen sprake kan zijn van overtreding van onder de Wet natuurbescherming geformuleerde verbodsbepalingen. Het werk in voor de soorten geschikt biotoop wordt dan ook buiten de periode dat beide soorten jongen hebben (maart - juli) en in één richting uitgevoerd. Dit ondanks de te verwachten verbetering in kwaliteit van het leefgebied na uitvoering van de voorgenomen maatregelen. (Possen, 2019)

Amfibieën en reptielen

Op één locatie raakt (het uitvoeren van) de maatregelen de bekende verspreiding van de Hazelworm. Het gaat om het dempen van rabatten, natte elementen die voor de Hazelworm ongeschikt zijn. Door hier te werken in de actieve periode van de Hazelworm (maart tot en met september) en de werkzaamheden in één richting uit te voeren wordt voorkomen dat ten aanzien van deze soort onder de Wet natuurbescherming geformuleerde verbodsbepalingen worden overtreden. (Possen, 2019)

Broedvogels

Met name tijdens de uitvoering kan sprake zijn van verstoring van in gebruik zijnde nesten, hetgeen een overtreding van verbodsbepalingen betekent ten aanzien waarvan geen ontheffing wordt verleend. Inmiddels zijn echter tal van maatregelen geformuleerd, waardoor voornoemde overtreding van verbodsbepalingen kan worden voorkomen, waaronder:

1. Niet werken tijdens het broedseizoen;

Daar waar niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, het biotoop ongeschikt maken voor broeden vogels voorafgaand een het broedseizoen en dit gebied vervolgens ongeschikt houden door bijvoorbeeld regelmatige aanwezigheid van mens en machine (bijvoorbeeld continu doorwerken);

2. Werken onder ecologische begeleiding, waarbij een ter zake kundig ecoloog bekijkt waar gewerkt kan worden.

Door deze inmiddels vergaand uitgekristalliseerde maatregelen in acht te nemen, wordt ten aanzien van broedvogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is, voorkomen dat sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen. (Possen, 2019)

Ongewervelden

Om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen, dient rekening gehouden te worden met de Bosbeekjuffer bij het herprofileren van de Groote Beerze. Met de soort wordt rekening gehouden door te dempen watergangen in één richting te dempen, door het wegvangen van larven voorafgaand aan het dempen en door de werkzaamheden zoveel mogelijk uit te voeren in de periode mei – augustus. Dat is de periode dat de larven uitsluipen (met een piek in juni-juli). Omdat de larven van de Bosbeekjuffer een of twee keer in het water overwinteren, zijn gedurende deze periode zo min mogelijk larven in het water aanwezig, die bovendien de kans krijgen om de werkzaamheden te ontvluchten. (Possen, 2019)

Zoals omschreven in de Natuurtoets worden beschermde soorten alvorens de huidige beek wordt gedempt, afgevangen. Ook vissen die niet zijn aangemerkt als beschermde soort in het kader van de Wet natuurbescherming, worden voor het dempen van de huidige beek afgevangen.

Drijvende Waterweegbree (H1831) en Beken en rivieren met waterplanten (H3260A)

Ondanks de conclusie uit de Natuurtoets dat (het uitvoeren van) de maatregelen niet strijdig is ten aanzien van Drijvende waterweegbree (H1831) en Beken en rivieren met waterplanten (H3260A) in “Kempenland-West” geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen kunnen aanvullende mitigerende maatregelen worden getroffen om het tijdelijke effect verder te verkleinen. Hierbij kan gedacht worden aan het volgende:

  • Bovenlaag van de waterbodem van die delen waar nu Drijvende waterweegbree (H1831) voorkomt tijdens de uitvoering apart houden en dit materiaal op enkele plekken gebruiken bij de afwerking van het nieuwe tracé van de Groote Beerze. Vanwege de aanwezige, langlevende zaadbank in dit substraat zal dit de ontwikkeling van de gewenste soorten en vegetaties versnellen.

  • Hoewel op grond van de uitgevoerde monitoring niets gezegd kan worden over de effectiviteit van deze maatregel bij eerdere beekherstelprojecten, is te overwegen om in aanvulling op voorgaande Drijvende waterweegbree (H1831) in het nieuwe beektracé in te brengen (verplaatsen). Het is dan niet zinvol alle exemplaren over te zetten gezien de hoge kolonisatiesnelheid van de soort.

  • Het is niet zinvol gebleken om Drijvende waterweegbree (H1831) te verplaatsen naar bijvoorbeeld poelen (Schippers et al. 2012; Provincie Noord-Brabant 2017a, 2017b). Dit wordt hier dan ook niet langer geadviseerd.

  • Verplaatsen gebeurt nadat een nieuw tracé-deel is gerealiseerd en gestabiliseerd en voordat de locaties met Drijvende waterweegbree (H1831) worden gedempt dan wel verondiept. Dit vraagt gefaseerd in tijd en ruimte werken. (Possen, 2019)

Hergebruik grond

De grond die vrijkomt tijdens de uitvoering van de voorgestelde maatregelen wordt waar mogelijk hergebruikt binnen het gebied. Zowel bij het hergebruik als bij de aan- en afvoer van grond van buitenaf en afvoer vanuit het projectgebied ziet het waterschap erop toe dat de aannemer zich houdt aan de geldende wet- en regelgeving.

Archeologie

Om te weten welke archeologische waarden in het gebied aanwezig zijn of kunnen zijn, is door Bureau RAAP een bureauonderzoek uitgevoerd en een archeologische verwachtings- en advieskaart opgesteld. Dat het plangebied archeologische parels kan opleveren wordt bevestigd door de reeds bekende vindplaatsen die zich alle op de rand van het beekdal bevinden. Het beekdal zelf is nog grotendeels onbekend gebied wat betreft archeologische vondsten. Twee watermolens, die teruggaan tot de late middeleeuwen zijn bekend in het beekdal (gelegen buiten het plangebied), alsmede diverse bruggen die minstens dateren uit het einde van de 18e eeuw.

In het archeologisch vooronderzoek zijn verwachtingszones voor nog onbekende vindplaatsen opgesteld. Deze verwachtingszones zijn gebaseerd op de archeologische verwachtingskaart van de gemeenten Bladel en Oirschot. Voor het plangebied zijn deze gegevens verder verfijnd en aangevuld. Het archeologisch vooronderzoek is hier te bekijken.

Voor de uitvoering van de maatregelen wordt een Programma van Eisen opgesteld t.b.v. eventuele begeleiding van de werkzaamheden.

Kabels en leidingen

De geplande grondwerkzaamheden vinden overwegend plaats buiten de nabijheid van de kabels en leidingen. Bij het vervangen van enkele duikers en het graven van de nieuwe loop van de Groote Beerze worden echter wel enkele kabels en leidingen gepasseerd. Hier dient tijdens de uitvoering rekening mee gehouden te worden.

Klik hier voor een uitleg over de werking van de viewer

Overslaan: Interactieve kaart (Esri)

Externe plugin van derde partij voldoet mogelijk niet aan de toegankelijkheids richtlijnen.

Interactieve kaart (Esri)